Toen Oliver Sacks herstelde van een zware val op een berg in Noorwegen werd hij op een nacht wakker omdat er iets naast hem lag. Het was een onplezierige gewaarwording, zo onplezierig dat hij resoluut besloot het ding uit zijn bed te schoppen. Pas toen hij er zelf achteraan dreigde te vliegen, besefte hij dat hij bezig was zijn gewonde been te verwijderen. Men noem dat, met een verkeerd gebruik van het begrip, vervreemding. Het Engelse ‘Alienation’ is beter, denk ik.
Een week geleden struikelde ik, met een vriend en mijn dochter op weg naar de lunch, over achtergelaten bouwmateriaal. De sekonden die daarop volgden duurden veel langer dan ze duurden. Ik viel, nee: dook, voorover en terwijl dat gebeurde had ik alle tijd om mij er over te verbazen dat het mij niet meer lukte om mijn armen uit te steken, dat ik met andere woorden noodlottig op weg was naar een harde klap. En op datzelfde moment was er ook al een licht gevoel van schaamte: dat ik, een goed getrainde en gezonde man, als de eerste de beste bejaarde zo moest vallen (jaja, ik weet het: hoogmoed komt voor de val). En er was al het begin van een gedachte aan mijn dochter, die elf is en haar vader nog nooit gewond heeft gezien, laat staan zo ontluisterend op straat.
Toen de klap kwam was ik al weer bezig om op te staan en te roepen dat het allemaal best meeviel.
Op dat moment voelde ik me even twee mannen: een gevallen man, die hevig bloedend en ondersteund door zijn vriend en dochter naar een geschiktere plek liep, en de regisseur die trachtte deze chaotische reeks van gebeurtenissen onder bedwang te krijgen. Er was geen pijn, er was geen angst. Dat eerste leek me plezierig, dat laatste vertrouwde ik niet helemaal. Ik weet de afwezigheid van angst en paniek aan de strenge regie die mijn tweede ‘ik’ nog steeds voerde.
Later die middag, na de minstens zo ontluisterende ervaring van de eerste hulp in het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum (waar men niet aan triage doet en de urgente bloedende gevallen gewoon achteraan moeten sluiten, achter de verstuikte enkels en de ‘dokter toen ik vanochtend hier drukte deed het pijn’), later dus voelde ik hoe gejaagd en rusteloos ik was. Nog steeds zonder pijn, maar ‘opgefokt’, zoals dat in het jargon van mijn tienerjaren heette.
Welkom angst.
‘s Avonds, toen ik moe en uitgeput in bed lag en terugdacht aan de dag, werd ik ineens doorstroomd met een merkwaardig soort... dankbaarheid. Ja, dankbaarheid. Het klinkt verschrikkelijk christelijk, ik weet het, maar ik was op de een of andere vreemde manier dankbaar voor mijn val, omdat ik door dat ongelukje gedurende een aantal uren was overgeleverd aan de zorgen van anderen en tot mijn verbazing had gemerkt dat ik in staat was geweest die zorgen te aanvaarden. Vijf, tien jaar geleden had ik een zakdoek tegen mijn hoofd gedrukt, was ik naar huis gerend en had daar gedaan alsof het allemaal niets voorstelde, dat ik leefde (leefde!) en nog steeds onsterfelijk, onafhankelijk en onaantastbaar was. Ik besefte, tijdens die vreemde opwelling van dankbaarheid, ook dat ik blijkbaar geleerd had om de zorg en aandacht van anderen te zien als een positief iets, nee: als iets dat mij niet onmiddellijk in de positie van schuldenaar dwong.
Na al die jaren dan: the kindness of strangers. En dat je er eerst voor op je bek moet gaan.
![]()
![]()